Legende

Er was eens een jongen.

Hij woonde in Borgerhout,

een klein dorpje naast Antwerpen.

Zijn naam was Kapertein.

Kapertein was klein,

Maar Kapertein was dapper.

En Kapertein was sterk.

“Later, word ik een visser op zee”,

zei Kapertein.

“Pas dan maar op”, zei zijn moeder,

“voor de donder en bliksem, de wind en de storm”

“Ik ben wel klein, maar ik heb geen schrik van de donder en de bliksem,

Ik heb geen schrik van de wind en de storm”, riep Kapertein.

Hij bouwde een boot met hout uit het bos van Borgerhout en maakte zeilen van zijn beddenlakens.

 

Kapertein was dapper

Kapertein was sterk

 

Op zijn 18de verjaardag stormde het.

De golven op de rivier de Schelde waren hoger dan de huizen.

Maar Kapertein sleepte zijn boot naar het water.

“Vandaag ga ik vissen”, zei Kapertein.

“Maar Kapertein, jij bent klein en de golven zijn zo groot”, zei zijn moeder.

“Mama, ik vang voor jou de grootste vis van de zee”.

De moeder van Kapertein huilde: “Wees voorzichtig, kleine jongen”.

En kleine Kapertein verdween tussen de grote golven.

“Kom maar op, donder, bliksem, wind en storm, ik heb geen schrik!”, brulde hij.

 

En Kapertein voer over de golven ver weg van hier.

De wind blies harder en harder en harder.

Plots zag Kapertein een

golf zo groot als een berg.

 

En de golf had een

mond zo groot als een poort.

 

Hij kwam dichter en dichterbij en de golf

slokte hem op als een

klein visje.

 

De volgende morgen werd hij wakker op een strand.

Een grote hand tilde hem op en een luide stem zei:

 

“Heb geen schrik,

ik ben het maar, Curieuzeneus.

En dit is ons land,

het Reuzenland”.

 

Curieuzeneus was een reus met een heel lange neus.

Samen met alle andere reuzen woonde hij in dit prachtige land.

Het was een land zoals bij ons, maar alles was groter, hoger en breder.

Curieuzeneus vertelde Kapertein alles over de reuzen.

Hij gaf hem bessen te eten, reuzenbessen.

“Reuzelekker”, zei Kapertein en hij at zijn buikje rond.

Hij at zelfs zo veel bessen dat hij zelf een reus werd.

 

Een jaar ging voorbij en Kapertein zei tot de reuzen:

“Wij zijn echte vrienden, reuzenvrienden,

maar nu wil ik naar huis, naar Borgerhout.”

“Je bent altijd welkom”, zeiden de reuzen.

Bij de volgende storm stapte Kapertein in zijn veel te kleine bootje en vertrok.

 

 

“Kijk daar, een reuzenvis in de boot van Kapertein”, riep een meisje.

“Dat is geen reuzenvis, het is Kapertein zelf”, riep een man met een snor.

“Mijn Kapertein is zo groot als een reus”, gilde Kapertein zijn mama,

maar toch sprong ze blij in zijn armen.

“Wat is er gebeurd?”, vroeg de mama van Kapertein.

“Ik heb wat veel bessen gegeten”, lachte Kapertein.

 

En hij vertelde over

de reuzengolven,

het reuzenstrand,

het reuzenland en zijn reuzenvrienden.

 

Nu Kapertein een reus was hielp hij de mensen

bij het zware werk en het bouwen van hun stad.

Hij droeg de zware stenen van de Kathedraal en

groef het eerste dok in de haven van Antwerpen.

 

Elke jaar vaarde Kapertein met zijn boot door de storm naar reuzenland.

Hij bracht mensen naar de reuzen,

en reuzen naar de mensen.

Alles ging goed, de reuzen en mensen maakten geen ruzie.

 

maar op een dag

ging het mis.

 

Een stoute reus kwam naar het mensenland.

Zijn naam was Antigoon.

“Die Kapertein speelt hier de baas,

maar nu ik hier ben wordt alles anders”, gromde hij.

Antigoon zag een jonge reus op de hoek van de straat.

Zijn naam was Lange Wapper.

Lange Wapper was triest.

“Ik heb geen vrienden”, zei hij.

“Ben je triest, ik maak je blij, volg mij”, zei Antigoon.

En Lange Wapper volgde hem.

 

“Ben je triest, ik maak je blij.

Ben je arm, ik maak je rijk.

Wil je veel, ik geef je meer. Volg mij”

riep Antigoon met een zware stem.

En vele jonge droevige reuzen volgden.

Het werd een dievenbende, de bende van Antigoon.

“Wij worden de baas in mensenland”, lachte Antigoon.

Antigoon bedacht een plan.

“Wij stelen de huizen leeg en

leggen het goud in de boot van Kapertein”,

“dan denken de mensen dat Kapertein de dief is”, sprak Antigoon,

En op een nacht stalen ze de huizen leeg en

legden het goud het in Kaperteins boot.

 

 

“Wij dachten dat je braaf was, Kapertein, maar dat is niet waar, jij bent stout”.

“Dat is niet waar”, riep Kapertein, maar niemand geloofde hem.

En Antigoon hakte Kaperteins hand af.

De bende van Antigoon sloot Kapertein op ergens diep in het bos.

 

 

“Nu zijn wij de baas in mensenland”, brulde Antigoon,

“Wil je varen op de Schelde, zal je ons betalen. Betaal je niet, hak ik je handen af en werp jullie mensenbootje tot diep in de zee!”

De mensen waren bang en ze betaalden.

Tot op een dag Brabo, een moedige Romeinse soldaat, kwam.

“Ik betaal niet, niemand zal je nog betalen”, riep hij.

Brabo vocht als een leeuw.

Hij hakte de hand van Antigoon af en wierp deze ver weg in zee.

Niemand zag Antigoon ooit weer.

En zijn koude hart hoorde je niet meer.

 

 

Waar Lange Wapper naar toe ging weten we niet goed.

We weten wel dat hij verliefd werd op een meisje.

Het was het mooiste mensenmeisje van Borgerhout.

Ze verdwenen in het bos en daar kregen ze vier kinderen:

Reus, Reuzin, Dolfijn en Kinnebaba.

 

Ze waren niet zo klein als een mens

en ook niet zo groot als een reus.

Dwergreuzen, dat zijn ze.

 

Lange Wapper vond het maar niks:

“Jullie zijn te klein om een reus te zijn,

ik schaam me voor jullie, dikkoppen!” riep Lange Wapper.

En hij sloot ze op in een reuzeneik.

“Eén keer per jaar mogen jullie naar buiten, niet meer!”

En zo gebeurde het: één keer per jaar opende lange Wapper de deur,

één keer per jaar zagen de vier reuskens de zon en de bloemen

één keer per jaar dansten ze tot de zon onderging

 

En dan sloot Lange Wapper hen weer op.

 

 

Maar op een koude nacht werd de deur geopend.

Het was niet Lange wapper, maar een Rimpelreus.

“Heb geen schrik”, fluisterde hij, “Lange Wapper slaapt”.

Hij haalde een rol papier boven en zei:

 

“Hier is een kaart,

volg de rode stippen en je zal reuzenvrienden vinden.”

 

Je hebt één jaar de tijd, maar dan komt Lange Wapper jullie weer halen”.

 

De rimpelreus verdween en de vier reuskens vertrokken op reuzenreis.

Over bergen en dalen,

beken en rivieren.

Ze ontmoetten reuzen, dik en dun, lang en kort, zwart en geel.

En allemaal werden ze vrienden, reuzenvrienden.

“Komen jullie ook eens bij ons op bezoek?”, vroegen de reuskens,

“Binnenkort geven wij een feest, een reuzenfeest”.

“Natuurlijk”, zeiden de reuzenvrienden, “wij zullen er zijn”.

Nu moeten we naar huis, het jaar is bijna voorbij.

De vier reuskens waren net op tijd weer thuis.

 

Lange Wapper werd wakker en wist niet wat er gebeurd was.

Hij liep naar de dikke eik in het bos en opende de deur.

“Er is een jaar voorbij, jullie mogen nog eens buiten, dikkoppen”.

En de vier reuskens moesten even lachen.

“Is er iets?”, vroeg Lange Wapper.

“Nee, nee”, zeiden de reuskens, “er is helemaal niets”.

Ze zagen de bloemen en de zon, ze wilden dansen, maar nergens zagen ze hun vrienden, hun reuzenvrienden.

 

Wanneer de zon bijna onder was, hoorden ze iets.

Ze hoorden zware voetstappen.

Het was niet Lange Wapper, nee!

 

Het waren al hun reuzenvrienden, dik en dun, lang en kort, zwart en geel.

En ze dansten tot de zon weer opkwam.

 

En ze zongen:

 

“Meer of minder,

groot of klein

in Borgerhout

mag iedereen er zijn.”

 

 

Lange Wapper, die was verdrietig:

“Wat moet dat leuk zijn, zo veel vrienden, reuzevrienden.

Maar Lange Wapper was ook trots:

“Mijn kinderen zijn misschien wel kleine reuzekes met een dik hoofd, maar hun hart is groot en ze dansen zo goed.”

“Dans maar mee”, zeiden de reuzekes.

“Ik? Wie wil er nu dansen met een lange pestkop zoals ik?”,

zei Lange Wapper.

 

“Wij dansen met iedereen, want meer of minder, groot of klein,

in Borgerhout mag iedereen er zijn”, lachten de reuzekes.

En Lange Wapper danste met zijn vier kinderen de reuzendans.

 

En waar is Kapertein gebleven?

De kinderen van Borgerhout kregen de sleutel van Lange Wapper.

Ze liepen tot diep in het bos en bevrijdden Kapertein.

Hij was nog net op tijd voor de laatste dans.

Zo werd dit feest het allergrootste reuzenfeest.

 

Voor iedereen, dik of dun,

lang of kort,

meer of minder,

groot of klein.

 

©2018 DE REUZEN VZW, WIJNEGEMSTRAAT 65, 2140 BORGERHOUT